Beknopt

8.9. Landschap

Het milieuthema landschap is uitvoerig beschreven door landschapsarchitectenbureau Bosch Slabbers. Hiertoe zijn twee documenten opgesteld:

  • de ‘Beeldkwaliteitsvisie Windpark A16’, waarin het West-Brabantse landschap wordt beschreven en er op basis van landschappelijke uitgangspunten en ontwerpprincipes opstellingen zijn ontworpen. De ‘BKV’ is opgenomen als Bijlage E bij het MER.
  • De ‘MER-rapportage Landschap & Ruimtelijke Kwaliteit’, waarin de 11 MER-alternatieven zijn beschreven en beoordeeld aan de hand van beoordelingskaders die specifiek voor dit project zijn opgesteld en die zijn gebaseerd op de systematiek zoals de provincie Noord-Brabant deze toepast. Dit landschapsrapport is opgenomen als Bijlage F bij het MER.

In het landschapsrapport worden de MER-alternatieven beoordeeld aan de hand van de volgende criteria:

Landschappelijke eenheden
Het projectgebied doorsnijdt een drieslag van landschapseenheden: zeekleilandschap, landschap van de stad en landschap van het dekzand. Ieder van deze landschappen heeft zijn karakteristieke waardes.

Aansluiting bij het energielandschap A16
Het windpark is een eerste stap in de ontwikkeling van het energielandschap A16.  Om dit concept kracht bij te zetten dient het windpark voldoende gekoppeld te zijn aan de infrabundel A16-HSL en dient er een onderlinge samenhang te zijn tussen de opstellingen/ clusters over een zo groot mogelijke lengte van het tracé.

Configuratie en herkenbaarheid
Een windpark met een herkenbare configuratie maakt hem leesbaar en herkenbaar als geheel van Hazeldonk tot Hollandsch Diep. Het vormt een nieuwe en als dusdanig herkenbare laag aan het landschap van de A16.

Belevingswaarde vanaf de infrabundel
Dit criterium beoordeelt de ruimtelijke kwaliteit vanuit het gezichtspunt van de weggebruiker op de A16.

Belevingswaarde vanuit de omgeving
Ook op het lokale schaalniveau heeft de komst van windpark A16 invloed op de belevingswaarde van het landschap. Dit heeft betrekking op hoe het energielandschap zal worden beleefd vanuit de omgeving, het landschap van de lage snelheid.

Gefaseerde ontwikkeling en toekomstwaarde
Wanneer een plaatsingsconcept/ alternatief stapsgewijs te ontwikkelen is mét behoud van ruimtelijke kwaliteit wordt deze positief beoordeeld. In dit geval vormt een tussenfase geen landschappelijke incident. Daarnaast is het aannemelijk dat in de toekomst nog meer windparken gerealiseerd gaan worden. Wanneer plaatsingsprincipes beschikken over het adaptief vermogen om ook bij uitbreiding de aanwezige landschappelijke kwaliteiten te behouden/ danwel te versterken hebben deze een hoger toekomstwaarde en hieruit volgt een positieve waardering op dit punt.

Obstakelverlichting
In relatie tot luchtvaartveiligheid dienen windturbines te worden voorzien van obstakelverlichting. Deze verlichting kan vooral tijdens de nachtlichturen erg dominant overkomen en daarmee een rustig landschapsbeeld verstoren. De mate waarin en de manier waarop obstakelverlichting dient te worden toegepast is sterk afhankelijk van de geldende wet- en regelgeving.

In het landschapsrapport (Bijlage F) is per MER-alternatief een kwalitatieve beschrijving gegeven van het landschap, de opstelling en de beoordelingscriteria. Er zijn 100 visualisaties gemaakt waarin de 11 MER-alternatieven te zien zijn in zogenaamde ‘bolfoto’s, waarin de kijker 360 graden rond kan kijken, en waarin de windturbines bewegend zijn gemonteerd. Deze visualisaties zijn te bekijken via de website  http://www.windviz.com/a16/.

Het onderzoek resulteert in de volgende beoordeling:

Tabel - Conclusie milieuthema landschap
Conclusie milieuthema landschap

 

Inleiding

Het milieuthema landschap is uitvoerig beschreven door landschapsarchitectenbureau Bosch Slabbers. Hiertoe zijn twee documenten opgesteld:

  • de ‘Beeldkwaliteitsvisie Windpark A16’, waarin het West-Brabantse landschap wordt beschreven en er op basis van landschappelijke uitgangspunten en ontwerpprincipes opstellingen zijn ontworpen. De ‘BKV’ is opgenomen als Bijlage E bij het MER.
  • de ‘MER-rapportage Landschap & Ruimtelijke Kwaliteit’, waarin de 11 MER-alternatieven zijn beschreven en beoordeeld aan de hand van beoordelingskaders die specifiek voor dit project zijn opgesteld en die zijn gebaseerd op de systematiek zoals de provincie Noord-Brabant deze toepast. Dit landschapsrapport is opgenomen als Bijlage F bij het MER.
     

Toetsingskader

Europese Landschapsconventie
De Europese Landschapsconventie (Conventie van Florence, 2000) is een verdrag van de Raad van Europa. Nederland heeft de conventie in 2005 ondertekend en geratificeerd. Met de ondertekening van de conventie erkennen lidstaten de grote culturele, identiteitsbepalende waarde van landschap op zowel lokaal als Europees niveau. De conventie strekt zich uit tot alle landschappen. De conventie beschrijft de maatregelen die Nederland zal nemen om landschap te behouden, te beheren en te ontwikkelen.

Structuurvisie Windenergie op Land
De Structuurvisie Windenergie op land is een uitwerking van de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. Het beleid van het kabinet behelst de volgende algemene inzichten. Op de eerste plaats zorgt concentratie van windturbines in parken en van windturbineparken in windenergiegebieden voor een beperking van de effecten op het landschap en voor het behoud van afwisseling in de Nederlandse landschappen. Met grotere projecten kunnen ook meters worden gemaakt richting het doel voor 2020. Ten tweede draagt plaatsing van windturbines op een consistente en voor iedereen inzichtelijke manier bij aan de belevingswaarde en ruimtelijke kwaliteit van windenergielandschappen.

Wet natuurbescherming 2017
De Wet natuurbescherming van januari 2017 vervangt de oudere Boswet. Doel van de Boswet was het areaal bos en andere houtopstanden in Nederland te behouden. Bos dat wordt gekapt, moet worden herplant. Als dat niet kan op dezelfde plaats, dan elders (compensatie). Onder de Wet natuurbescherming vallen:

  • Alleen bossen die buiten de 'bebouwde kom Boswet' liggen,
  • Alle beplantingen van bomen die groter zijn dan 10 are,
  • Bomen in een rijbeplanting, als de rij uit meer dan 20 bomen bestaat.
     

Provinciale Structuurvisie 2010 – partiële herziening 2014
Duurzame energie biedt op een veelheid van terreinen kansen, maar vraagt om een goede ruimtelijke visie. Zo hebben windturbines en windmolenparken impact op het landschap. Daardoor ontstaat een dilemma op welke schaal dit kan plaatsvinden: een beperkt aantal grootschalige locaties, vele kleinschalige oplossingen of een combinatie van beide. De opgave is, om rekening houdend met de draagkracht van het Brabantse landschap en een aantrekkelijke en gezonde woon- en leefomgeving, de transitie naar nieuwe vormen van duurzame energiewinning te realiseren.

Verordening ruimte Noord-Brabant 2014
De provincie wil ruimte bieden voor het opwekken van duurzame energie. Omdat windturbines grote invloed hebben op de ruimtelijke kwaliteit, is het nodig om algemene regels te stellen. De regels in dit artikel hebben betrekking op de stedelijke structuur. In de Structuurvisie ruimtelijke ordening is opgenomen dat de ontwikkeling van (middel)grote windturbines zo veel mogelijk dient aan te sluiten bij de karakteristiek van het landschap. Vanwege het grootschalige karakter, kiest de provincie ervoor de ontwikkeling alleen toe te laten bij zogenaamde grootschalige landschappen, zoals (middel)zware bedrijventerreinen, hoofdinfrastructuur en het grootschalige open polderlandschap in West-Brabant. Doordat de grootschalige (middel)zware bedrijventerreinen met name in stedelijk concentratiegebied liggen is ligging in stedelijk concentratiegebied als voorwaarde opgenomen. Om verrommeling tegen te gaan kiest de provincie er voor om geen solitaire windturbines toe te laten. Voor opstellingen in de stedelijke structuur, of direct aansluitend daarop, geldt dat er sprake moet zijn van minimaal drie windturbines in lijn- of clusteropstelling. De realisatie van de windturbines kan gefaseerd en door meerdere exploitanten geschieden. In het artikel is onder c bepaald dat moet zijn verzekerd dat windturbines die niet meer worden gebruikt, worden gesloopt. Het is de verantwoordelijkheid van de gemeente er voor te zorgen dat deze zekerheid is gegarandeerd.

Gemeentelijke structuurvisie Breda 2030
Aan de tijd van onbegrensde beschikbaarheid van fossiele energie komt een einde. We moeten de komende decennia andere keuzen maken, ons pad verleggen. Breda heeft daarom stevige ambities ten aanzien van energietransitie. Niets doen is geen optie: dan worden de ambities niet gehaald. In 2030 zal Breda ruim halverwege de vastgestelde klimaatdoelstelling moeten zijn, op weg naar de CO2 -neutrale stad in 2044, zoals vastgelegd in de visienota “Steek positieve energie in het klimaat”. Door een volledige transitie van de energievoorziening van gas naar elektriciteit en van gas naar warmte, in combinatie van een optimale vergroting van het potentieel aan lokale duurzame elektriciteitproductie én aanvullende inkoop van elders geproduceerd duurzaam gas en elektriciteit is het mogelijk om de doelstelling in 2044 te halen. Een fundamentele aanpassing van de lokale energie-infrastructuur is hierbij een belangrijke factor. Het is van belang om tot de juiste keuzes te komen voor aanleg en gebruik van deze infrastructuur. Hierbij is van belang:

  • de beschikbare hoeveelheid duurzame energie voor warmteproductie en de locatie;
  • de hoeveelheid restwarmte en aansluitingen op warmtenetten;
  • de hoeveelheid windenergie, zonne-energie, biomassa en Geothermie op termijn;
  • gewenste infrastructuur per wijk.
     

Gemeentelijke structuurvisie Moerdijk
Moerdijk profileert zich als een duurzame gemeente. Het ambitieniveau is hoog. In 2030 is 30% van de totale reguliere energiebehoefte gedekt uit 'lokaal' geproduceerde duurzame energie.
 

Referentiesituatie (uit rapportage Bosch Slabbers)

Kernkwaliteiten
Op het hoogste schaalniveau is er een duidelijke drieslag in het landschap te onderkennen:

  • Het landschap van de zeekleipolders. Dit is het landschap van de stoere maat, de lange lijnen, de verre zichten. Stoer, weids en transparant. Dit landschap wordt bepaald door polders en dijken, dooraderd door de rivier de Mark, geflankeerd door het Hollandsch Diep. Hier beleeft men de ruimte, kan men ver van zich afkijken, ziet men wolkenluchten hoog overdrijven. Dit is een man-made, stelselmatig ingericht en ingedeeld, monumentaal landschap. De Mark vormt hiervan de min of meer natuurlijke begrenzing.

referentiesituatie 1

  • Het landschap van de stad. Hier wordt de oorspronkelijke landschappelijke onderlegger ‘overruled’ door de (nabijheid van de) stedelijke ontwikkeling. Het silhouet van de stad en alles wat daaraan is verbonden, van bedrijventerreinen tot logistiek apparaat, inclusief snelwegen, spoorlijnen en geluidsschermen, tekent het landschap. Dit is het meest dynamische landschap, waar de ontwikkeling meer ‘foot-loose’ heeft plaatsgevonden en wat wordt gekenmerkt door visuele drukte.
  • Het landschap van het zand. Dit is een organisch ontwikkeld landschap, getekend door een bescheiden reliëf, dooraderd door kleine beeklopen en turfvaarten. Dit biedt een overwegend kleinschalig landschap met een fijnmazig mozaïek van akkercomplexen, natuurgebieden, (boom)kwekerijen, dorpen en buurtschappen. Dit is een meer ingetogen, subtiel landschap, het landschap van de kleine maat, van geborgenheid.

Binnen deze drieslag zijn twee bijzondere landschappelijke eenheden aanwezig:

  • De overgang tussen het landschap van de zeeklei en het dekzand wordt gemarkeerd door het Markdal. Ten noorden van Breda vormt de Mark een echte rivier. Aanvankelijk stond de Mark in open verbinding met de zee en hebben er vele overstromingen plaats gevonden. Tussen de Mark en het zandplateau lagen tal van ‘beemden’, natte veengronden in beek- en rivierdalen die bij boeren in gebruik waren als hooiland en waren ongeschikt voor bebouwing. Restanten van deze beemden zijn nog steeds aanwezig waar het projectgebied het Markdal doorkruist. In 1968 is begonnen met de ‘normalisering’ van de Mark: bochten werden afgesneden, de rivier werd aanzienlijk verbreed en uitgediept en er werden stuwen gebouwd. Echter zijn de openheid en het onbebouwde karakter van het Markdal nog steeds als landschapskarakteristiek aanwezig.
  • De Baronie. Breda was lange tijd een belangrijke Oranjestad. De aanwezigheid van de Oranje Nassau’s heeft de stad rijkdom en grandeur gebracht, maar was  ook van direct invloed op de ontwikkeling van de omgeving. Willem III heeft grote delen van de Baronie laten aanplanten, waaronder ook het Mastbosch/Trippelenberg. Nu is dit een bijzonder wandelgebied met eeuwenoude bomen, indrukwekkende lanen en mooie doorkijkjes. Langs de Aa of Weerijs zijn meerdere natuurontwikkelingsprojecten uitgevoerd. Het totaalbeeld levert een waardevol gedifferentieerd landschap op.

referentiesituatie 2

Daarnaast wordt dit gebied gekenmerkt door de nieuwe tijd. A16 en HSL vormen, tezamen met de begeleidende geluidsschermen en beplantingen, een sterke infrastructurele bundel die als autonome toevoeging over het onderliggend landschap zijn geprojecteerd. Deze bundel vormt als schakel tussen Antwerpen en Rotterdam tevens de ‘poort tot Nederland’. Dagelijks maken tienduizenden mensen gebruik van deze bundel, passeren zij via deze bundel het onderliggende en aanliggend landschap. Het complex van Moerdijk met zijn talloze lampjes of de zacht aangelichte HSL brug over het Hollandsch Diep dragen bij aan het beeld van ‘de nieuwe tijd’ evenals de Amercentrale bij Geertruidenberg met haar web aan hoogspanningsmasten die van verre zichtbaar zijn. Door de aanwezigheid van geluidswerende voorzieningen is over grote lengten het zicht op de weg en de HSL gericht. Waar men wel zicht op het landschap heeft maakt de snelheid dat de beleving op hoofdlijnen plaatsvindt. Het traject Hazeldonk – Hollandsch Diep kent over een lengte van 28 km vier knooppunten en 4 afslagen.

referentiesituatie 3

De gebruikers van de A16, het spoor en de HSL beleven het landschap en de omgeving met een snelheid variërend tussen de 80 en 130 (en zelfs meer dan 200) kilometer per uur. Omwonenden, recreanten en werkenden beleven het landschap met een lagere snelheid van +0 tot 80 kilometer per uur. Het verschil in beleving door bewoners of passanten is groot, de beleving van de aardappelrooier is essentieel anders dan die van de persoon achter het stuur van de BMW of de HSL reiziger die van zijn trip naar Parijs terugkeert.

Op hoofdlijnen zijn vanaf de A16 van noord naar zuid drie sferen te onderscheiden:

  • het noordelijk deel, dit biedt met name naar het westen nog zicht op het Brabant van de kleipolders en de technologie van Moerdijk;
  • het middendeel, gedomineerd door de nabijheid van de stad met geluidsschermen en een select aantal gebouwen dat zich toont naar de weg (Landmacht, IKEA);
  • het zuidelijk deel, waar men nog het mozaïek van het zand ervaart.

referentiesituatie 4

Het studiegebied is de dagelijkse leef-, woon- en werkomgeving van de mensen die in het gebied wonen, werken en recreëren. Grote delen van het stedelijk gebied van Breda en Etten-Leur, alsmede de gehele kernen van Zevenbergschen Hoek, Moerdijk, Langeweg, Lage Zwaluwe, Wagenberg, Terheijden, Prinsenbeek, Effen, Ulvenhout en Galder liggen in of grenzen aan het studiegebied.

Naast woongebied is het ook werkgebied, met industriegebied Moerdijk aan het Hollandsch Diep, de land- en tuinbouw, het kwekerijgebied rond Rijsbergen, en recreatieomgeving. Het gebied is zowel voor de grote watersport (Lage Zwaluwe) als de kleine watersport (Mark en Leurse Haven) van betekenis en nodigt uit voor extensieve, op natuur- en landschapsbeleving gerichte vormen van recreatie. Het gebied kent een wijd vertakt netwerk aan fiets- en voetpaden. Het Mastbosch en Liesbos zijn monumentale wandelbossen. Naast droge natuurgebieden is het gebied rijk aan natte natuurgebieden als het Haagse Beemdenbos. Het herstelde beekdal van de Bovenmark met kasteel Bouvigne als cultuurhistorisch topstuk en het beekdal van Aa of Weerijs zijn zowel als recreatief uitloopgebied als uit het oogpunt van natuur van grote waarde.

Opvallend is dat de A16 niet dominant in het landschap aanwezig is, van afstand is de weg noch de HSL-lijn goed zichtbaar.

Rijdend over de A16-HSL zelf staat de herkenbaarheid van dit onderscheid van de drieenheid echter onder druk. Bij 120 en 130 km/h is dit onderscheid in het landschap in toenemende mate alleen voor de kenner nog waarneembaar.
Als gebruiker van de A16 is het meer het snelweglandschap zelf dat ervaren wordt en in mindere mate het landschappelijke onderscheid van Noord-Brabant.

Waar de A16 vanuit het landschap niet van grote afstand herkenbaar is, is ze dat voor de gebruiker wel. A16 en HSL vormen (tezamen met hun geluidsschermen en beplantings- structuur) voor de gebruiker een dermate dominante infrastructurele bundel dat het de vraag is in hoeverre men zich bij de doorontwikkeling van de zone direct langs de weg (de 1 km zone) tot energielandschap door het onderscheid klei-stad-land moet laten leiden. Vooralsnog lijkt het kansrijker om de zone direct aan de A16-HSL (het landschap van de hoge snelheid) van Hazeldonk tot Hollandsch Diep als eigentijds en autonoom snelweg- en energielandschap te ontwikkelen.

Autonome ontwikkeling
Zie paragraaf 6.2 en 6.3 voor de autonome en overige ontwikkelingen in het plangebied.
 

Beoordelingscriteria

In het landschapsrapport worden de MER-alternatieven beoordeeld aan de hand van de volgende criteria:

Landschappelijke eenheden
Het projectgebied doorsnijdt een drieslag van landschapseenheden: zeekleilandschap, landschap van de stad en landschap van het dekzand. Ieder van deze landschappen heeft zijn karakteristieke waardes. Voorafgaand ontwerpend onderzoek heeft aangetoond dat inspelen op deze verschillende landschappen niet resulteert in een kwalitatief windpark. Wel zijn er twee gebieden binnen het projectgebied met uitzonderlijke landschappelijke, ecologische en cultuurhistorische kwaliteiten. Weimeren/Rooskensdonk en Trippelenberg/Mastbosch zijn waardevolle landschappen die bijzondere aandacht verdienen in relatie tot het plaatsen van windturbines. Voor Weimeren/Rooskensdonk is dat het onbebouwde karakter en het feit dat het onderdeel vormt van het groenblauwe netwerk met reeds jarenlange investeringen in natuurontwikkeling. Voor Trippelenberg/ Mastbosch is dit de kleinschalige karakteristiek van het landschap gevormd door het beekdal van de Aa of Weerijs en de plantages van de Baronie.
MER-alternatieven die deze landschappelijke kenmerken sterk beïnvloeden worden op dit onderdeel negatief beoordeeld.

Aansluiting bij het energielandschap A16
Het windpark is een eerste stap in de ontwikkeling van het energielandschap A16.  Om dit concept kracht bij te zetten dient het windpark voldoende gekoppeld te zijn aan de infrabundel A16-HSL en dient er een onderlinge samenhang te zijn tussen de opstellingen/ clusters over een zo groot mogelijke lengte van het tracé.
Een evenredige verdeling van de clusters/ turbines over het gehele tracé dragen bij aan de herkenbaarheid van de A16 als energielandschap. Ook een evenredige verdeling van de clusters/ turbines ten westen en ten oosten van de infrabundel zorgen voor een sterker karakter. Daarnaast speelt evenwijdigheid van de opstellingen/ clusters aan de infrabundel een rol. Beoordeeld wordt de mate waar een invulling wordt gegeven aan het energielandschap A16 en aansluiting gevonden wordt bij de autonome ligging van de infrabundel.
MER-alternatieven die meest invulling geven aan bovenstaande aspecten scoren het hoogst.

Configuratie en herkenbaarheid
Een windpark met een herkenbare configuratie maakt hem leesbaar en herkenbaar als geheel van Hazeldonk tot Hollandsch Diep. Het vormt een nieuwe en als dusdanig herkenbare laag aan het landschap van de A16.
MER-alternatieven worden beoordeeld aan de mate waarin ze voldoen aan de plaatsingsprincipes en de beoogde kracht van het concept. (Is de poort een landschappelijk fraaie poort of mist hij kracht? Zijn de verschillende kralen onderling herkenbaar en vormen ze een fraai totaalbeeld?)

Belevingswaarde vanaf de infrabundel
Dit criterium beoordeelt de ruimtelijke kwaliteit vanuit het gezichtspunt van de weggebruiker op de A16. De ruimtelijke kwaliteit voor de weggebruiker van de A16 speelt vooral op het schaalniveau van het gehele tracé; de weggebruiker ervaart het windpark, de samenhang van de turbines binnen het windpark met hoge snelheid. Voor de weggebruiker is belangrijk hoe het windpark zich verhoudt tot de omgeving (1), of het windpark te ervaren is als één geheel (2), en of het autonome karakter van het windpark herkenbaar is (3). Bij de beoordeling van de belevingswaarde vanuit de weggebruiker zal vooral het tracé als geheel, van Hazeldonk tot het Hollandsch Diep, beoordeeld worden.

Belevingswaarde vanuit de omgeving
Ook op het lokale schaalniveau heeft de komst van windpark A16 invloed op de belevingswaarde van het landschap. Dit heeft betrekking op hoe het energielandschap zal worden beleefd vanuit de omgeving, het landschap van de lage snelheid. Vanuit de omgeving wordt slechts een beperkt deel van het windpark waargenomen. Visueel-ruimtelijke kenmerken die de beleving bepalen worden beoordeeld. Openheid, zichtlijnen en barrièrewerking zijn bijvoorbeeld in sterke mate bepalend voor de waarneming en beleving van het landschap en het windpark vanaf de lage snelheid. Met kenmerkende dorspgezichten is in de ontwerpfase reeds rekening gehouden en worden met name bepaald door de afstand van de turbines tot de kernen. De mate waarin een opstelling meer afstand houdt tot de kernen wordt deze meer positief beoordeeld.

Gefaseerde ontwikkeling en toekomstwaarde
Wanneer een plaatsingsconcept/ alternatief stapsgewijs te ontwikkelen is mét behoud van ruimtelijke kwaliteit wordt deze positief beoordeeld. In dit geval vormt een tussenfase geen landschappelijke incident. Daarnaast is het aannemelijk dat in de toekomst nog meer windparken gerealiseerd gaan worden. Wanneer plaatsingsprincipes beschikken over het adaptief vermogen om ook bij uitbreiding de aanwezige landschappelijke kwaliteiten te behouden/ danwel te versterken hebben deze een hoger toekomstwaarde en hieruit volgt een positieve waardering op dit punt.

Obstakelverlichting
In relatie tot luchtvaartveiligheid dienen windturbines te worden voorzien van obstakelverlichting. Deze verlichting kan vooral tijdens de nachtlichturen erg dominant overkomen en daarmee een rustig landschapsbeeld verstoren. De mate waarin en de manier waarop obstakelverlichting dient te worden toegepast is sterk afhankelijk van de geldende wet- en regelgeving. Dit aspect heeft invloed op de ruimtelijke kwaliteit. Wanneer een opstelling slechts in beperkte mate met obstakelverlichting hoeft te worden uitgevoerd wordt deze meer positief beoordeeld.

 

Effectbeoordeling

Onderstaande tabel toont welke resultaten leiden tot welke score

Tabel - Effectbeoordeling milieuthema landschap

Effectbeoordeling landschap

Onderzoek

In het landschapsrapport (Bijlage F) is per MER-alternatief een kwalitatieve beschrijving gegeven van het landschap, de opstelling en de beoordelingscriteria. Hierbij is, naast de gebiedskennis en expert judgement van bureau Bosch Slabbers, ook gebruik gemaakt van visualisaties. De visualisaties zijn gemaakt vanaf 100 zichtpunten in en rondom het plangebied.
 

Visualisaties

Er zijn 100 visualisaties gemaakt waarin de 11 MER-alternatieven te zien zijn in zogenaamde ‘bolfoto’s, waarin de kijker 360 graden rond kan kijken, en waarin de windturbines bewegend zijn gemonteerd. Deze visualisaties zijn hiernaast te bekijken via de website  http://www.windviz.com/a16/
 

Score milieuthema landschap

Het onderzoek resulteert in de volgende beoordeling:

Tabel - Conclusie milieuthema landschap
Conclusie milieuthema landschap

 

Visualisaties MER-alternatieven: