Beknopt

8.8. Externe veiligheid

Vanwege de kans op falen kunnen windturbines een risico opleveren voor de omgeving. Omdat het de veiligheid van de omgeving als gevolg van falen van de windturbine betreft, wordt dit milieuthema aangeduid als externe veiligheid. De interne veiligheid van een windturbine wordt gewaarborgd doordat in Nederland alleen windturbinetypes zijn toegestaan die zijn gecertificeerd conform IEC-WT01 of IEC-61400-22.

Om het milieueffect externe veiligheid te beoordelen worden onderstaande beoordelingscriteria gehanteerd:

  • Aantal kwetsbare objecten binnen 10-5 en 10-6-contouren van windturbines
  • Aantal risicovolle installaties nabij windturbines
  • Ligging van windturbines al dan niet binnen de adviesafstand van buisleidingen
  • Ligging van windturbines al dan niet binnen de adviesafstand van hoogspanning
  • Ligging van windturbines al dan niet binnen de adviesafstand van spoorwegen
  • Ligging van windturbines al dan niet binnen de adviesafstand van rijkswegen

Inleiding

Vanwege de kans op falen kunnen windturbines een risico opleveren voor de omgeving. De risico’s van een windturbine worden gevormd door 3 typen falen:

  1. het afbreken van (een gedeelte van) een windturbineblad:
    • bij overtoeren
    • bij nominaal vermogen
  2. het omvallen van een windturbine door mastbreuk,
  3. het naar beneden vallen van de gondel en/of rotor.

Omdat het de veiligheid van de omgeving als gevolg van falen van de windturbine betreft, wordt dit milieuthema aangeduid als externe veiligheid. De interne veiligheid van een windturbine wordt gewaarborgd doordat in Nederland alleen windturbinetypes zijn toegestaan die zijn gecertificeerd conform IEC-WT01 of IEC-61400-22.

Het externe veiligheidsonderzoek rekent met andere windturbinetypes dan de overige milieuthema’s. Er is gekozen om te rekenen met windturbinetypes die de grootste 10-5 en 10-6 contouren hebben. Een worst-case benadering dus. Hiertoe is eerst een selectie gemaakt van diverse windturbinetypes die qua afmetingen binnen de 3 klassen (beperkt, laag, hoog) vallen. Hierom is het dus mogelijk dat in een klasse een windturbine wordt doorgerekend die niet de maximale afmetingen heeft vanwege het feit dat de afmetingen niet 1-op-1 overeenkomen met de risicocontouren.

De windturbinetypes die voor het externe veiligheidsonderzoek zijn gebruikt staan in onderstaande tabel.

Tabel - Eigenschappen van de voor externe veiligheid gebruikte windturbinetypes
Eigenschappen van de voor externe veiligheid gebruikte windturbinetypes

 

 

 

Toetsingskader

Bij de toetsing op veiligheidsaspecten wordt gebruik gemaakt van verschillende (wettelijke) kaders.

Activiteitenbesluit - De normen omtrent windturbines en bebouwing worden gegeven in het Activiteitenbesluit. De norm is als volgt:

  • Het plaatsgebonden risico (PR) voor een buiten de inrichting gelegen kwetsbaar object, veroorzaakt door een windturbine of een combinatie van windturbines, is niet hoger dan 10-6 per jaar.
  • Het plaatsgebonden risico (PR) voor een buiten de inrichting gelegen beperkt kwetsbaar object, veroorzaakt door een windturbine of een combinatie van windturbines, is niet hoger dan 10-5 per jaar.

Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) - In mei 2004 is het “Besluit externe veiligheid inrichtingen” (Bevi) in werking getreden. Hiermee zijn de risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot bedrijven met gevaarlijke stoffen wettelijk vastgelegd. Windturbines vallen niet onder de categorieën van inrichtingen waarop het Bevi zich richt. Windturbines kunnen wel resulteren in een risicoverhoging van nabijgelegen Bevi-inrichtingen.

Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) - Windturbines kunnen een risico vormen op buisleidingen. Indien windturbines nabij een buisleiding geplaatst worden moet getoetst worden aan het “Besluit externe veiligheid buisleidingen” (Bevb). Hierin zijn risiconormen opgenomen voor vervoer van gevaarlijke stoffen in buisleidingen.

Handboek Risicozonering Windturbines - Het “Handboek Risicozonering Windturbines[1]” geeft richtlijnen om de risico’s rond windturbines te toetsen. Uit het handboek blijkt dat windturbines geen substantiële bijdrage mogen leveren aan een hoger risico van een inrichting (bijv. Bevi-inrichting). Dat komt er op neer dat de windturbines geen effect hebben op de voor de inrichting geldende Groepsrisico, Persoonsgebonden Risico en afstanden tot (beperkt) kwetsbare objecten. Om dit te toetsen wordt in eerste instantie gekeken of de windturbines een toename van de catastrofale faalfrequentie van risicovolle installaties behorende tot de inrichting tot gevolg hebben. Indien deze toename een bepaalde richtwaarde niet overschrijdt dan is plaatsing van de windturbine uit oogpunt van risicobeoordeling toegestaan. Als uitgangspunt voor deze richtwaarde wordt volgens het Handboek Risicozonering Windturbines een toename van 10% gehanteerd. Indien de toename deze richtwaarde overschrijdt, is plaatsing niet direct uitgesloten, maar wordt door een uitgebreidere analyse bepaald of er na plaatsing nog steeds voldaan wordt aan de normen uit het Bevi en Bevb.

Ten aanzien van gasleidingen en hoogspanningslijnen hanteren respectievelijk de Gasunie en Tennet een zogenaamde adviesafstand. Zie voor deze adviesafstanden paragraaf 7.8.3.

IJsafworp - Het Handboek Risicozonering Windturbines zegt het volgende over ijsafworp: Uit ervaring is bekend dat in Nederland ijsafzetting op de bladen meestal ontstaat tijdens stilstand van de windturbine. Observaties van dit fenomeen hebben laten zien dat bij een kleine beweging of doorbuiging van het blad, hetgeen al optreedt bij een zeer geringe windsnelheid, het ijs in grote brokken naar beneden valt en dat langwerpige platen ijs in een strook onder het rotorvlak terecht komen. De brokken hebben een oppervlak kleiner dan het blad zelf en een dikte van enkele millimeter tot een centimeter. Door het “dwarrelen” van brokken ijs kunnen deze, afhankelijk van de hoogte van de windturbine in een strook van enkele tientallen meters breed terecht komen. Bij een turbine met een masthoogte van circa 65 meter is waargenomen dat stukken ijs op 10-15 meter van het rotorvlak terecht kwamen.
Indien het gebied onder de rotor vrij toegankelijk is zal het aspect van afvallend ijs in de risicobeoordeling meegenomen moeten worden. De impact op een object is vergelijkbaar met die van brokken ijs die b .v. van een vrachtwagen afwaaien en een achteropkomende auto treffen; meestal is de achteropkomende auto niet beschadigd. Onbeschermde personen kunnen mogelijk gewond raken. Het aantal keer per jaar dat ijs aangroeit aan een blad is sterk afhankelijk van de lokale omstandigheden. Indien nodig of gewenst kan dit risico worden vermeden door bij ijsafzetting de turbine zodanig te kruien dat de strook onder het rotorvlak niet meer toegankelijk is voor onbeschermde personen. Het aantal keren per jaar dat ijs aangroeit aan een blad is sterk afhankelijk van de lokale omstandigheden. Volgens schattingen van de opstellers van het handboek komt de situatie in Nederland maximaal twee keer per jaar voor.
Volgens het Besluit Voorzieningen en installaties Milieubeheer mogen de windturbines niet in bedrijf zijn of worden genomen indien er ijs op de bladen zit. Mocht dit toch gebeuren dan zijn de risico’s voor de omgeving minimaal, omdat het om kleine brokstukken gaat die relatief ver weg geslingerd kunnen worden. Het PR hiervan is verwaarloosbaar klein.”

Windturbines kunnen uitgerust worden met ijsdetectie. Wanneer ijsafzetting plaatsvindt, stopt de windturbine en draait deze indien gewenst naar een vooraf ingestelde stand (bijv. parallel aan de weg zodat de afstand tot de weg zo groot mogelijk is). De windturbines worden vervolgens pas weer in bedrijf genomen wanneer visueel is vastgesteld dat er geen ijs meer op de bladen is. Door deze mogelijkheid tot mitigatie is ijsafworp geen relevant thema bij de ruimtelijke beoordeling van de MER-alternatieven. Voor het voorkeursalternatief wordt nader ingegaan op eventuele benodigde mitigatie.

Infrastructuur - In aanvulling op het externe veiligheidsbeleid dat algemeen van toepassing is, hanteren Rijkswaterstaat en ProRail eigen risicocriteria voor windturbines welke zijn opgenomen in de documenten “Beleidsregel voor het plaatsen van windturbines op, in of over Rijkswaterstaatwerken” en “Windturbines langs auto-, spoor-, en vaarwegen – Beoordeling van veiligheidsrisico’s”. Deze  documenten bevatten adviesafstanden. Wanneer voldaan wordt aan de beleidsregel is er geen hinder te verwachten. De afstanden staan genoemd in paragraaf 7.8.3.

Veiligheidsnormen Interne veiligheid (NVN en IEC) - Buiten de eerdergenoemde eisen en richtlijnen omtrent externe veiligheid dienen windturbines ook te voldoen aan eisen omtrent interne veiligheid. Bij interne veiligheid gaat het om voorzieningen in en aan de windturbines zelf, die de kans op onveilige situaties (o.a. brand, elektrocutie, afwerpen van ijsafzetting) zo klein mogelijk maken. Dergelijke interne veiligheidsvoorzieningen gelden voor elk type turbine in elke willekeurige opstelling. Deze veiligheidsvoorzieningen zijn samengevat in een geobjectiveerd eisenpakket NVN 11400-0 “Windturbines, voorschriften voor typecertificatie, technische eisen” of haar opvolger IEC 61400-1 “Wind Turbine Safety and Design“. Alleen gecertificeerde windturbines voorzien van een geldig typecertificaat conform (een van) de hierboven genoemde normen komen in Nederland in aanmerking voor een bouw- en milieuvergunning. Dit onderdeel vormt daarom verder geen beoordelingscriterium.
 

Adviesafstanden en veiligheidscontouren

Bij het milieuthema externe veiligheid wordt vaak gesproken over risicocontouren. Voor windenergie zijn de 10-5 en 10-6-contour van belang. Op de 10-6 contour heeft een persoon die onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven een kans op overlijden van 1 op de 106 jaar (eens in de miljoen jaar) als rechtstreeks gevolg van een falende windturbine. Op de 10-5-contour is deze kans eén keer in de honderdduizend jaar.

Vuistregels voor de risicocontouren van windturbines: de 10-5 contour ligt ongeveer op een afstand van de halve rotordiameter van een windturbine (dus onder de door de wieken bestreken cirkel). De 10-6 contour komt overeen met de maximale werpafstand bij nominaal toerental. Voor moderne windturbines ligt deze contour op een afstand van ca. 180 meter van de mast van de windturbine.

Uit de verschillende toetsingskaders volgen de onderstaande adviesafstanden:

  • Adviesafstand Gasunie: hoogste waarde van (maximale werpafstand bij nominaal toerental) en (ashoogte + 1/3e wieklengte)
  • Adviesafstand TenneT: maximale werpafstand bij nominaal toerental
  • Adviesafstand ProRail: 7,85 meter + de halve rotordiameter, gemeten vanuit het hart van het dichtstbijzijnde spoor, met een minimum van 30 meter.
  • Adviesafstand Rijkswaterstaat: Ten minste 30 meter uit de rand van de verharding of bij een rotordiameter groter dan 60 meter ten minste de halve rotordiameter.

Buiten deze adviesafstanden zal de betreffende partij akkoord gaan met plaatsing van windturbines. Daarbinnen zijn in overleg en afhankelijk van een locatiespecifieke risicoanalyse in sommige gevallen kleinere afstanden mogelijk.
 

Beoordelingscriteria

Om het milieueffect externe veiligheid te beoordelen worden onderstaande beoordelingscriteria gehanteerd:

  • Aantal kwetsbare objecten binnen 10-5 en 10-6-contouren van windturbines
  • Aantal risicovolle installaties nabij windturbines
  • Ligging van windturbines al dan niet binnen de adviesafstand van buisleidingen
  • Ligging van windturbines al dan niet binnen de adviesafstand van hoogspanning
  • Ligging van windturbines al dan niet binnen de adviesafstand van spoorwegen
  • Ligging van windturbines al dan niet binnen de adviesafstand van rijkswegen


Effectbeoordeling

Onderstaande tabel toont welke resultaten leiden tot welke score. Omdat er geen positieve score mogelijk is zijn deze klassen niet in de tabel opgenomen.

Tabel - Score milieuthema externe veiligheid
Score milieuthema externe veiligheid
 

Onderzoek

In het kader van dit MER is een risicoanalyse uitgevoerd, zie bijlage D. Hieronder worden de conclusies per deelaspect gegeven.

(Beperkt) kwetsbare objecten
Op basis van de berekende risicocontouren en objecten kent het plangebied voor alle MER-alternatieven, behalve M10, verscheidene aandachtspunten. Er bevinden zich één of meer beperkt kwetsbare objecten binnen de 10-5 contouren, maar er bevinden zich geen kwetsbare objecten binnen de 10-6 contouren. Op het vastgestelde industrieterrein LPM wordt een kantoorgebouw mogelijk gemaakt. Indien dit kantoorgebouw een kwetsbaar object wordt (bruto vloeroppervlak van meer dan 1500 m2) valt dit gebouw bij alternatief M8 binnen de 10-6 contour.

Voor alternatief M10 geldt dat zich geen (geprojecteerde) beperkt kwetsbare objecten of kwetsbare objecten bevinden binnen respectievelijk de 10-5 en 10-6 contour.

Risicovolle installaties
Op basis van de berekende werpafstanden bij overtoeren en risicovolle installaties kent het plangebied voor alle alternatieven verscheidene aandachtspunten. Er bevinden zich bij alle MER-alternatieven meerdere risicovolle installaties binnen de werpafstand bij overtoeren en bij de alternatieven M1 t/m M8 ook binnen de werpafstand bij nominaal toerental. Bij geen van de alternatieven bevinden zich risicovolle installaties binnen de 10-5-contour.

Buisleidingen
Bij de MER-alternatieven M1, M3 en M6 t/m M11 liggen er windturbines binnen de Gasunie-adviesafstand tot buisleidingen. De overige MER-alternatieven liggen geheel buiten de adviesafstand van de Gasunie.

Hoogspanningslijnen
Voor de alternatieven M1, M2 en M11 geldt dat er windturbines zijn gelegen binnen de adviesafstand van TenneT.
De overige MER-alternatieven liggen geheel buiten de adviesafstand van TenneT.

Spoorwegen
Bij alternatief M11 ligt er een windturbine binnen de adviesafstand van ProRail.

Rijkswegen
Voor alternatief M11 geldt dat er zich een Rijksweg bevindt binnen de adviesafstand van Rijkswaterstaat.

 

Score milieuthema externe veiligheid

De alternatieven resulteren nergens in onacceptabele risico’s. De opstellingsalternatieven scoren daarom allemaal als volgt:

Tabel - Conclusie veiligheid
Conclusie veiligheid

 

 

 

 

 

[1]     Handboek Risicozonering Windturbines versie 3.1, september 2014