Beknopt

9.3.9. Ecologie VKA

Ecologie

In het ecologisch rapport is het VKA op dezelfde wijze beoordeeld als de MER-alternatieven. De beoordeling van het VKA wordt kort beschreven daar waar de resultaten vergelijkbaar zijn met de MER-alternatieven. Daar waar de beoordeling van het VKA afwijkt van de MER-alternatieven, wordt het uitgebreider beschreven.

Resultaten:
Effecten op vogels in aanlegfase:
Gedurende de werkzaamheden is er geen sprake van wezenlijke verstoring: vogels zullen het plangebied niet verlaten zodat in dit geval ook geen verslechtering van de kwaliteit van het leefgebied optreedt. De resultaten voor dit aspect, zoals tevens beschreven in paragraaf 8.11, gelden zowel voor alle MER-alternatieven als voor het VKA. Daarmee is dit aspect niet onderscheidend.

Globaal overzicht aanvaringsslachtoffers onder vogels in gebruiksfase:
De resultaten van het VKA ligt niet ver van de ondergrens van het aantal slachtoffers van de MER-alternatieven. De indeling van de categorieën is tevens op dezelfde wijze uitgewerkt; gemiddeld 15 vogelslachtoffers per windturbine per jaar in het noorden en gemiddeld 10 vogelslachtoffers per windturbine per jaar in het zuiden.

Tabel - Aanvaringsslachtoffers vogels
Aanvaringsslachtoffers vogels

Aanvaringsslachtoffers N2000 broedvogels in gebruiksfase:
Voor de broedvogels waar Natura 2000-gebieden in de omgeving voor zijn aangewezen vallen geen of hooguit incidenteel aanvaringsslachtoffers. De resultaten voor dit aspect, zoals tevens beschreven in paragraaf 8.11, gelden zowel voor alle MER-alternatieven als voor het VKA. Daarmee is dit aspect niet onderscheidend.

Aanvaringsslachtoffers ‘overige broedvogels’ in gebruiksfase:
Broedvogels zoals de blauwe reiger, huiszwaluw, boerenzwaluw en roek zullen hooguit incidenteel slachtoffer worden van een aanvaring met een windturbine in het plangebied. De resultaten voor dit aspect, zoals tevens beschreven in paragraaf 8.11, voor zowel alle MER-alternatieven, als voor het VKA. Daarmee is dit aspect niet onderscheidend.

Voor de kleine mantelmeeuw en zilvermeeuw (afkomstig van broedkolonies In het havengebied van Moerdijk en op Sassenplaat) is met behulp van het Flux-Collison Model een soortspecifieke berekening gemaakt van het aantal slachtoffers voor het VKA. Het berekende aantal aanvaringsslachtoffers komt voor de kleine mantelmeeuw uit op 8 slachtoffers per jaar; voor de zilvermeeuw 4 slachtoffers per jaar.

Voor de overig soorten broedvogels geldt dat er jaarlijks aanvaringsslachtoffers worden voorzien, bijvoorbeeld kievit en scholekster. Het VKA ligt echter niet ver van de ondergrens van het aantal slachtoffers van de MER-alternatieven.

Aanvaringsslachtoffers N2000 niet-broedvogels in gebruiksfase:
Voor de grauwe gans, kolgans en brandgans is met behulp van het Flux-Collison Model een soortspecifieke berekening gemaakt van het aantal slachtoffers voor het VKA (VKA). Het berekende aantal aanvaringsslachtoffers komt voor de grauwe gans uit op 3 slachtoffers per jaar. Hiervan worden 2 slachtoffers gerekend tot het Natura 2000-gebied Hollandsch Diep en 1 slachtoffer tot het Natura 2000-gebied Biesbosch. Voor de kolgans en brandgans is ieder 1 slachtoffer per jaar berekend. Deze worden gerekend tot het Natura 2000-gebied Hollandsch Diep.

Voor de smient en wilde eend is met behulp van het Flux-Collison Model een soortspecifieke berekening gemaakt van het aantal slachtoffers voor het VKA. Het berekende aantal aanvaringsslachtoffers komt voor zowel de smient als wilde eend uit op 3 slachtoffers van iedere soort per jaar. Hiervan worden 2 slachtoffers gerekend tot het Natura 2000-gebied Hollandsch Diep en 1 slachtoffer tot het Natura 2000-gebied Biesbosch.

Voor de overige soorten/gebieden gelden de resultaten zoals beschreven in paragraaf 8.11, waarmee die resultaten niet onderscheidend zijn voor het VKA.

Aanvaringsslachtoffers ‘overige niet-broedvogels’ in gebruiksfase
Van de meeste overige niet-broedvogels vallen geen of hooguit incidenteel aanvaringsslachtoffers. Van de wat talrijkere soorten als meeuwen (kokmeeuw, stormmeeuw) en steltlopers (kievit, wulp) kunnen jaarlijks respectievelijk één of enkele tientallen en een tiental aanvarings-slachtoffers vallen. Het VKA ligt niet ver van de ondergrens van het aantal slachtoffers van de MER-alternatieven.

Verstoring vogels in de gebruiksfase
Verstoring van leefgebied van broedvogels, waar Natura 2000-gebieden in de omgeving voor zijn aangewezen, is voor het VKA niet aan de orde en niet onderscheidend van de MER-alternatieven.

Bomen in de omgeving van de turbines van het VKA zijn in 2017 globaal onderzocht. Bij in totaal 12 turbines liggen binnen 100 m afstand in potentie geschikte bomen voor vogels met een jaarrond beschermde nestplaats.

Het VKA heeft zeer weinig risico op het verstoren van broedvogels van de Rode Lijst. Alle turbines staan buiten waardevol gebied voor Rode Lijst soorten, in tegenstelling tot de alternatieven. Het VKA scoort op dit punt dan ook beter dan de MER-alternatieven.

Voor de overige soorten broedvogels zijn effecten als gevolg van verstoring niet aanwezig. Dit geldt voor zowel het VKA als de MER-alternatieven en zijn hierin niet onderscheidend.

Verstoring van leefgebied van niet-broedvogels, waar Natura 2000-gebieden in de omgeving voor zijn aangewezen, zijn voor de meeste soorten niet aan de orde. De niet-broedvogels waarvoor verstoring van leefgebied wel aan de orde is bij het VKA, daarvan is er geen sprake van een effect op het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen. Het VKA is hierin niet onderscheidend van de MER-alternatieven.

Bij overige niet-broedvogels is er geen sprake van een zeer grote verstoring. De resultaten voor dit aspect, zoals tevens beschreven in paragraaf 8.11, gelden zowel voor alle MER-alternatieven als voor het VKA. Daarmee is dit aspect niet onderscheidend.

Barrièrewerking vogels in de gebruiksfase
Effecten als gevolg van barrièrewerking zijn niet aanwezig. Dit geldt voor alle MER-alternatieven en het VKA en dit aspect is daarmee niet onderscheidend.

Effecten op vleermuizen in aanlegfase
Voor het VKA is in 2017 het voorkomen van paarverblijfplaatsen en de potentie voor het voorkomen van kraamverblijfplaatsen onderzocht. Op zes locaties nabij (<50 m afstand van) de turbinelocaties van het VKA zijn potenties voor kraamverblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig. Op één locatie nabij een geplande turbinelocatie is mogelijk een paarverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis aanwezig. Op deze locaties is het mogelijk dat sprake is van verstoring van verblijfplaatsen van vleermuizen.

Effecten op vleermuizen in gebruiksfase
In tegenstelling tot de beoordeling van de alternatieven is voor het VKA een andere inschatting gemaakt van het totaal aantal jaarlijkse vleermuisslachtoffers. Op grond van literatuurgegevens, kennis over het landschapsgebruik van vleermuizen in het algemeen en de vastgestelde verspreidingspatronen van het veldonderzoek in 2017, zijn de categorieën voor het VKA anders ingedeeld dan de alternatieven. Voor het VKA zijn de turbinelocaties in twee verschillende categorieën ingedeeld, op basis van het voorspelde aantal aanvaringsslachtoffers. Deze locaties zijn: locaties die nabij bos, bomen en andere aantrekkelijke landschapselementen liggen (5 slachtoffers per turbine per jaar) en locaties die in open agrarisch landschap staan (1 slachtoffer per turbine per jaar). Voor het VKA worden in totaal jaarlijks 36 aanvaringsslachtoffers van vleermuizen voorspeld.

Tabel - Aanvaringsslachtoffers vleermuizen
Aanvaringsslachtoffers vleermuizen

Op basis het veldonderzoek naar gebiedsgebruik van vleermuizen in 2017 kan de soortensamenstelling van de te verwachten aanvaringsslachtoffers bepaald worden. Het totaal van 36 slachtoffers bestaat uit 33 slachtoffers van de gewone dwergvleermuis en de rest uit ruige dwergvleermuis (2) en rosse vleermuis (1).

Omdat geen directe relatie bestaat tussen de vleermuizen in Vlaamse Natura 2000-gebieden en het plangebied, zijn geen effecten als gevolg van de aanleg en het gebruik van Windpark A16 aanwezig. De resultaten voor dit aspect, zoals tevens beschreven in paragraaf 8.11, gelden zowel voor alle MER-alternatieven als voor het VKA. Daarmee is dit aspect niet onderscheidend.

Effecten op habitattypen N2000-gebieden
Verslechtering van de kwaliteit van natuurlijke habitats in nabijgelegen Natura 2000-gebieden als gevolg van de aanleg en het gebruik van het project Windenergie A16 is op voorhand met zekerheid uitgesloten. De MER-alternatieven alsmede het VKA zijn hier niet onderscheidend in.

Effecten op flora, vissen, ongewervelden, amfibieën en reptielen
In 2017 zijn tijdens veldonderzoek de locaties van het VKA in het veld onderzocht op potentie voor beschermde flora. Geen van de locaties van het VKA biedt potentie voor beschermde flora. Ten aanzien van het VKA is van beschermde soorten geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming.

Geen van de locaties van het VKA biedt potentie voor beschermde ongewervelden. De kans op effecten op ongewervelden wordt voor alle alternatieven en het VKA van Windpark A16 als nihil beschouwd. Voor de beschermde soorten is geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming.

De kans op effecten op vissen wordt voor alle alternatieven en het VKA van Windpark A16 als nihil beschouwd. Voor de beschermde soorten is geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming.

Geen van de locaties van het VKA biedt potentie voor amfibieën en reptielen. De kans op effecten op amfibieën en reptielen wordt voor alle alternatieven en het VKA van Windpark A16 als nihil beschouwd. Voor de beschermde soorten is geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming.

Effecten op grondgebonden zoogdieren
In 2017 zijn tijdens veldonderzoek de locaties van het VKA nader in het veld onderzocht voor potentie voor beschermde grondgebonden zoogdieren. Op twee turbinelocaties van het VKA is potentie voor verblijfplaatsen van de gewone eekhoorn, steenmarter, hermelijn, bunzing en/of wezel aanwezig. Het VKA kan leefgebied (foerageergebied, voortplantingsplaatsen) van deze soorten omvatten. Mogelijk dient voor de beschermde soorten ontheffing van verbodsbepalingen (artikel 3.10 lid 1b) van de Wet natuurbescherming aangevraagd te worden. Ook kan overtreding van verbodsbepalingen mogelijk voorkomen worden door het nemen van passende mitigerende maatregelen.

Effect op Natuurnetwerk Brabant (NNB)
Het VKA heeft geheel geen ruimtebeslag in NNB en in Ecologische Verbindingszones. Het VKA heeft zeer beperkt overdraai op NNB (3.350 m2).

Effect op natte natuurparels, agrarisch natuurbeheer en groenblauwe mantel
Het VKA scoort relatief gunstig met geen ruimtebeslag binnen Natte Natuurparels en beperkt ruimtebeslag binnen het Attentiegebied (1.944 m2).

Het VKA kent ten opzichte van de MER-alternatieven het grootste ruimtebeslag binnen de Groenblauwe mantel (3.910 m2).

Het VKA scoort ten opzichte van de alternatieven gemiddeld qua ruimtebeslag (4.810 m2) binnen de zoekgebieden voor agrarisch natuurbeheer.

Aantal hectare compensatie NNB als gevolg van indirecte verstoring windturbines
De indirecte aantasting van bestaand natuurgebied door de geluidsbelasting van windturbines is worst-case berekend voor het VKA. De compensatieopgave betreft 7 hectare en is daarmee relatief gering. Zie Bijlage H voor een uitgebreide beschrijving van deze rekenregel met betrekking tot natuurcompensatie NNB.

Ligging van Natuurnetwerk Nederland/Brabant en Natura 2000-gebieden:
NNN/B = donkergroen; N2000 = lichtgroen