Beknopt

8.11. Ecologie

Om effecten van de MER-alternatieven op ecologisch waardevolle gebieden en soorten te kunnen beoordelen is onderzoek uitgevoerd door Bureau Waardenburg.

In Nederland zijn verschillende vormen van natuurbescherming relevant. In dit MER is rekening gehouden met de Wet natuurbescherming en de Omgevingsverordening. Dit resulteert in een uitsplitsing van de volgende beschermde waarden:

Natura 2000-gebieden
Natura 2000-gebieden zijn de gebieden die de Minister van Economische Zaken heeft aangewezen ter uitvoering van de verplichtingen die voortvloeien uit de Vogel- en Habitatrichtlijn.

Natuurnetwerk Nederland
Het Natuurnetwerk Nederland is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. In de wet heet dit de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. De provincies zijn vanaf 2014 verantwoordelijk voor de begrenzing en de ontwikkeling van dit natuurnetwerk.

Overige beschermde gebieden
De effecten op de gebieden natte natuurparels, agrarisch natuurbeheer en groenblauwe mantel zijn beschermd in de provinciale verordening. In de provinciale verordening staat ‘voor activiteiten die een negatief effect op de (grond)waterstand in een natte natuurparel kunnen hebben, is een vergunning nodig’. De bescherming van de groenblauwe mantel staat ook beschreven in de provinciale verordening.

Beschermde soorten
De soortbescherming van de Wet natuurbescherming (hierna Wnb) regelt de bescherming van in het wild voorkomende planten en dieren. De Wnb kent drie verschillende beschermingsregimes:

  • Vogels, waarvan een deel met jaarrond beschermde nesten;
  • Overige Europees beschermde soorten;
  • Nationaal beschermde soorten.

De MER-alternatieven worden op het gebied van ecologie met elkaar vergeleken aan de hand van de volgende beoordelingscriteria:

Vogels

  • Effecten op vogels in de aanlegfase van het windpark
  • Effecten op vogels in de gebruiksfase van het windpark (verstoring en barrièrewerking)
  • Aantal aanvaringsslachtoffers onder broedvogels in Natura-2000 gebieden
  • Aantal aanvaringsslachtoffers onder overige broedvogels
  • Aantal aanvaringsslachtoffers onder niet-broedvogels in Natura-2000 gebieden
  • Aantal aanvaringsslachtoffers onder overige niet-broedvogels

Vleermuizen

  • Effecten op vleermuizen in de aanlegfase
  • Effecten op vleermuizen in de gebruiksfase

Beschermde soorten

  • Effecten op planten en grondgebonden zoogdieren
  • Effecten op vissen, ongewervelden en amfibieëen/reptielen

Gebieden

  • Effecten op Natuur Netwerk Nederland (NNN)
  • Effecten op natte natuurparels, groenblauwe mantel en agrarisch natuurbeheer
  • Aantal hectare compensatieopgave NNB a.g.v. indirecte verstoring door windturbines.


Onderstaande tabel toont de samengevatte effectbeoordeling.

Tabel - Conclusie ecologie
Conclusie ecologie

 

Inleiding

Om effecten van de MER-alternatieven op ecologisch waardevolle gebieden en soorten te kunnen beoordelen is onderzoek uitgevoerd door Bureau Waardenburg. De volgende tekst vormt een ingekorte versie van hun ‘Deelrapport Natuur Windpark A16, Noord-Brabant’. Voor meer details verwijzen wij naar dit rapport in Bijlage G. In het achtergrondrapport zijn ook de bronnen opgenomen van het onderzoek.
 

Toetsingskader

In Nederland zijn verschillende vormen van natuurbescherming relevant. In dit MER is rekening gehouden met de Wet natuurbescherming en de Omgevings-verordening. Dit resulteert in een uitsplitsing van de volgende beschermde waarden:

Natura 2000-gebieden
Natura 2000-gebieden zijn de gebieden die de Minister van Economische Zaken heeft aangewezen ter uitvoering van de verplichtingen die voortvloeien uit de Vogel- en Habitatrichtlijn. In ieder besluit tot aanwijzing van een Natura 2000-gebied zijn de instandhoudingsdoelstellingen voor het betreffende gebied beschreven. Daarbij gaat het in ieder geval om instandhoudingsdoelstellingen ten aanzien van de leefgebieden van vogels, voor zover nodig ter uitvoering van de Vogelrichtlijn en/of ten aanzien van habitats en habitats van soorten, voor zover nodig ter uitvoering van de Habitatrichtlijn. Plannen en projecten die leiden tot een verslechtering van de instandhoudingsdoelstellingen zijn niet zonder meer toegestaan.

Natuurnetwerk Nederland
Het Natuurnetwerk Nederland is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. In de wet heet dit de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. De provincies zijn vanaf 2014 verantwoordelijk voor de begrenzing en de ontwikkeling van dit natuurnetwerk. Het NNN/EHS is beschermd via de regelgeving van de ruimtelijke ordening. In het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is het beschermingsregime vastgelegd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). De beleidsmatige verankering wordt gevormd door de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. Op provinciaal niveau is de planologische bescherming van het NNN geregeld via de provinciale ruimtelijke verordening. In Noord-Brabant is dit de Verordening Ruimte (Provincie Noord-Brabant, 2017). Het beschermingsregime van het NNN werkt via de provinciale verordening door in gemeentelijke bestemmingsplannen. In de verordening staat het zoekgebied voor windturbines beschreven. Hierin staat dat de bouw van windturbines kan mits ‘deze zijn gesitueerd binnen de op grond van het eerste lid aangewezen gebieden en buiten het Natuur Netwerk Brabant.
In sommige alternatieven zijn windturbinelocaties voorzien in het Natuur Netwerk Brabant (NNB), dit is alleen een mogelijkheid als de provinciale verordening wordt gewijzigd. Verder zijn Nieuwe plannen en projecten niet toegestaan als deze een significant negatief effect hebben op de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied, tenzij daarmee een zwaarwegend belang gediend is en er geen reële alternatieven voorhanden zijn. In dat geval moet de schade zoveel mogelijk beperkt worden door het treffen van mitigerende maatregelen en moet de resterende schade gecompenseerd worden.

Op basis van artikel 5.6, zesde lid, van de Verordening Ruimte moet bij verspreiding van geluid van windturbines binnen gebieden die zijn aangewezen in het kader van NNB (voorheen EHS), worden nagegaan of sprake is van aantasting de ecologische waarden en kenmerken van het betreffende NNB gebied. Effecten moeten worden beperkt, resterende negatieven effecten moeten worden gecompenseerd. De provincie Noord-Brabant hanteert een rekenregel om te bepalen hoeveel oppervlakte gecompenseerd dient te worden: de oppervlakte natuur die, als gevolg van de ingreep, te maken krijgt met een geluidsbelasting die hoger ligt dan de normen 42 dB(A) (bos), 47 dB(A) (open natuurtypen) en 45 dB(A) (gemiddeld), dient gecompenseerd te worden. De in de regel gebruikte compensatiefactor bedraagt 1/3.

Overige beschermde gebieden
De effecten op de gebieden natte natuurparels, agrarisch natuurbeheer en groenblauwe mantel zijn beschermd in de provinciale verordening. In de provinciale verordening staat ‘voor activiteiten die een negatief effect op de (grond)waterstand in een natte natuurparel kunnen hebben, is een vergunning nodig’. De bescherming van de groenblauwe mantel staat ook beschreven in de provinciale verordening. Windturbines plaatsen in de groen blauwe mantel is mogelijk onder bepaalde voorwaarden.

Beschermde soorten
De soortbescherming van de Wet natuurbescherming (hierna Wnb) regelt de bescherming van in het wild voorkomende planten en dieren. De Wnb kent drie verschillende beschermingsregimes:

  • Vogels, waarvan een deel met jaarrond beschermde nesten;
  • Overige Europees beschermde soorten;
  • Nationaal beschermde soorten.

De verbodsbepalingen, die handelingen in het voortbestaan van planten en diersoorten in gevaar kunnen brengen verbieden, zijn een belangrijk onderdeel van de Wnb. In de wet is onder meer bepaald dat beschermde dieren niet gedood, gevangen of verontrust mogen worden en beschermde planten niet geplukt, uitgestoken of verzameld. Daarnaast is het niet toegestaan om de directe leefomgeving van beschermde soorten, waaronder nesten en holen, te beschadigen, te vernielen of te verstoren (artikelen 3.1 Vogels, 3.5 overige Europees beschermde soorten en 3.10 nationaal beschermde soorten). Bovendien dient iedereen voldoende zorg in acht te nemen voor alle in het wild levende planten en dieren (algemene zorgplicht, artikel 1.11).

De provincies en het Rijk hebben in haar verordeningen uit de lijst van ‘andere soorten’ diersoorten aangewezen waarvoor een vrijstelling geldt en dus geen ontheffing van verbodsbepalingen voor hoeft te worden aangevraagd. Deze lijst met vrijgestelde soorten is per provincie verschillend. De zorgplicht is in alle gevallen van toepassing.

Voor soorten waarvoor (in de betreffende provincie) geen vrijstelling geldt, moet wanneer niet volgens een gedragscode wordt gewerkt een ontheffing worden aangevraagd wanneer er een handeling wordt uitgevoerd waardoor een verbodsbepalingen van artikel 3.1, 3.5 of 3.10 van de Wnb wordt overtreden. Of deze ontheffing kan worden verleend, hangt af of voldaan wordt aan de voorwaarden. De voorwaarden waar aan moet worden voldaan, verschillen per beschermingscategorie.

Wanneer plannen worden ontwikkeld voor ruimtelijke ingrepen of voornemens ontstaan om werkzaamheden uit te voeren, dient vooraf goed te worden beoordeeld of er mogelijke nadelige consequenties voor beschermde inheemse soorten zijn. In beginsel is daarvoor de initiatiefnemer zelf verantwoordelijk.
 

Referentiesituatie

Natura 2000-gebieden
In een straal van 30 km liggen diverse Natura 2000-gebieden die aangewezen zijn voor habitattypen. Dit betreft de Natura 2000-gebieden Biesbosch, Hollandsch Diep, Ulvenhoutse Bos, Brabantse Wal, Langstraat, Loevestein, Pompveld & Kornsche Boezem, Loonse & Drunense Duinen & Leemkuilen, Kampina & Oisterwijkse Vennen, Kempenland-West, Regte Heide & Riels Laag, Krammer-Volkerak, Haringvliet en Oude Maas. In Vlaanderen liggen Heesbossen, Schietvelden, Turnhouts Vennengebied, Kempense Kleiputten, Bos en Hei, Kalmthoutse Heide en Fortengordels.

Binnen het plangebied van Windpark A16 liggen twee Natura 2000-gebieden, namelijk Biesbosch en Hollandsch Diep. Alleen het oppervlaktewater van deze Natura 2000-gebieden valt binnen het plangebied. Hier worden echter geen windturbines geplaatst en er is dus met zekerheid geen sprake van verlies van areaal van de beschermde habitattypen door ruimtebeslag. Daarnaast is geen sprake van relevante emissie van schadelijke stoffen naar lucht, water en of bodem of van veranderingen in grond- of oppervlaktewateren (zie hieronder en andere deelrapporten MER). De dichtstbijzijnde habitattypen liggen op meer dan één kilometer afstand van de turbineopstellingen langs de rijksweg A16. Van verstoring van de typische soorten van de habitattypen is op deze afstand op voorhand geen sprake.

Een aantal soorten, waarvoor Natura 2000-gebieden in de omgeving van het plangebied zijn aangewezen, zijn wel relevant. Hieronder staat een overzicht van de soorten:

Natura 2000 soorten

Natuurnetwerk Nederland
In het plangebied liggen enkele onderdelen van het Natuurnetwerk Brabant (NNB, zie naastgelegen figuur). Het gaat in het plangebied om de NNB-gebieden Weimeren, Rooskensdonk, Liesbos, Krabbenbosschen, Trippelenberg, Mastbosch en Galdersche Heide. Het Hollandsch Diep maakt deel uit van 'Grote wateren' (een deel van het NNB dat door het Rijk is begrensd). Onder andere de Mark is aangewezen als Ecologische Verbindingszone (onderdeel van NNB).

Overige beschermde gebieden
Onderstaande figuren tonen diverse andere beschermde gebieden.

Figuur - Overige beschermde gebieden
Overige beschermde gebieden

Beschermde soorten
Onderstaande tabel geeft een overzicht van beschermde soorten die in of rond het plangebied voorkomen en welke betekenis het gebied voor de soort heeft.

Tabel- beschermde soorten in of rond het plangebied
Referentiesituatie ecologie
Referentiesituatie ecologie

Beoordelingscriteria

De MER-alternatieven worden op het gebied van ecologie met elkaar vergeleken aan de hand van de volgende beoordelingscriteria:

Vogels

  • Effecten op vogels in de aanlegfase van het windpark
  • Effecten op vogels in de gebruiksfase van het windpark (verstoring en barrièrewerking)
  • Aantal aanvaringsslachtoffers onder broedvogels in Natura-2000 gebieden
  • Aantal aanvaringsslachtoffers onder overige broedvogels
  • Aantal aanvaringsslachtoffers onder niet-broedvogels in Natura-2000 gebieden
  • Aantal aanvaringsslachtoffers onder overige niet-broedvogels

Vleermuizen

  • Effecten op vleermuizen in de aanlegfase
  • Effecten op vleermuizen in de gebruiksfase

Beschermde soorten

  • Effecten op planten en grondgebonden zoogdieren
  • Effecten op vissen, ongewervelden en amfibieëen/reptielen

Gebieden

  • Effecten op Natuur Netwerk Nederland (NNN)
  • Effecten op natte natuurparels, groenblauwe mantel en agrarisch natuurbeheer
  • Aantal hectare compensatieopgave NNB a.g.v. indirecte verstoring door windturbines.


Effectbeoordeling

De hierboven beschreven criteria zijn in het rapport van Bureau Waardenburg allen als volgt beoordeeld:

Tabel - Effectbeoordeling milieuthema ecologie
Effectbeoordeling milieuthema ecologie

Met als uitzondering het laatste criterium (indirecte verstoring binnen NNB). Hiervoor geldt de volgende tabel:

Verstoring NNB a.g.v. geluid

Methode

Het ecologisch onderzoek is uitgevoerd door Bureau Waardenburg. De gegevens voor het onderzoek komen uit de Nationale Databank Flora en Fauna, veldonderzoek, bronnenonderzoek en inschattingen van deskundigen Bureau Waardenburg (expert jugdgement).

Op basis van het voorkomen van soorten in het plangebied A16 is per inrichtingsalternatief en deelgebied de kans op effecten bepaald.

Voor de verstoring van NNB-gebieden als gevolg van geluid is aansluiting gezocht bij de rekenregel[1] van de provincie Noord-Brabant ter bepaling van het compensatieareaal.
 

Resultaten

Effecten op vogels in aanlegfase
Voor vogels is het gedurende de werkzaamheden vanwege de fasering van de aanlegwerkzaamheden (inclusief de sloop van de bestaande windturbines) mogelijk om elders in (de directe omgeving van) het plangebied en omgeving een alternatieve foerageer- of rustplek te benutten als ze tijdens een bepaalde fase op een bepaalde plek verstoord worden. Er is daarom geen sprake van wezenlijke verstoring: vogels zullen (de directe omgeving van) het plangebied niet verlaten zodat in dit geval ook geen verslechtering van de kwaliteit van het leefgebied optreedt.

Globaal overzicht aanvaringsslachtoffers onder vogels in gebruiksfase
Op basis van deskundigenoordeel wordt voor het noordelijk deel van het plangebied en omgeving (kleigronden) het aantal slachtoffers in Windpark A16 in de ordegrootte van het gemiddelde van 15 slachtoffers per windturbine per jaar aangehouden.

Voor het zuidelijk deel (zandgronden) van het plangebied Windpark A16 wordt het aantal slachtoffers in dit deel van Windpark A16 in de ordegrootte van maximaal 10 slachtoffers per windturbine per jaar aangehouden.

Tabel - Aanvaringsslachtoffers vogels
Aanvaringsslachtoffers vogels

Aanvaringsslachtoffers N2000 broedvogels in gebruiksfase:
De lepelaar die op Sassenplaat in het Hollandsch Diep broedt, foerageert hooguit met enkel exemplaar in het plangebied. Uitgaande van deze gegevens zal de lepelaar hooguit incidenteel slachtoffer worden van een aanvaring met een windturbine van Windpark A16 (<1 slachtoffer per jaar). Dit geldt voor alle alternatieven van Windpark A16 en deze zijn hierin niet onderscheidend. De kluut heeft geen binding met het plangebied. Het optreden van aanvaringsslachtoffers van broedvogels van kluut van het Natura 2000-gebied Hollandsch Diep is daarom uitgesloten.

Een enkel paartje van de blauwborst, ijsvogel en enkele paren rietzangers broeden langs de zuidoever van het Hollandsch Diep (binnen het Natura 2000-gebied Biesbosch). Er zijn geen effecten op deze soorten omdat deze vogels geen directe binding met het plangebied hebben. Het optreden van aanvaringsslachtoffers van broedvogels van blauwborst, ijsvogel en rietzanger van het Natura 2000-gebied Biesbosch is daarom uitgesloten. De snor, roerdomp en het porseleinhoen hebben geen binding met het plangebied en het optreden van aanvaringsslachtoffers van deze broedvogels van het Natura 2000-gebied Biesbosch is daarom uitgesloten. In het zomerhalfjaar jagen met regelmaat één of enkele bruine kiekendieven in het noordelijk deel van het plangebied. Mogelijk zijn deze vogels afkomstig uit de Biesbosch. Kiekendieven hebben een relatief lage aanvaringskans en zullen hooguit incidenteel slachtoffer worden van een aanvaring met een windturbine van Windpark A16 (<1 slachtoffer per jaar). Dit geldt voor alle alternatieven van Windpark A16 en deze zijn hierin niet onderscheidend. Hooguit een enkel exemplaar van de aalscholver (toen de kolonie nog groot was) zal geregeld gefoerageerd hebben in het plangebied. De aalscholver is niet of nauwelijks als aanvaringsslachtoffer aangetroffen. Uitgaande van deze gegevens zullen de aalscholvers hooguit incidenteel slachtoffer worden van een aanvaring met een windturbine van Windpark A16 (<1 slachtoffer per jaar). Dit geldt voor alle alternatieven van Windpark A16 en deze zijn hierin niet onderscheidend.

Andere soorten broedvogels waar Natura 2000-gebieden in de omgeving voor zijn aangewezen komen niet of hooguit incidenteel in het plangebied voor. Van deze soorten vallen geen of hooguit incidenteel aanvaringsslachtoffers. De alternatieven zijn hier niet onderscheidend in.

Aanvaringsslachtoffers ‘overige broedvogels’ in gebruiksfase:
In (de omgeving van) het plangebied zijn kolonies van blauwe reiger, huiszwaluw, boerenzwaluw en roek aanwezig. Gezien de afstand van deze kolonies tot de opstellingen die voorzien zijn voor Windpark A16 en de beperkte aantallen in de kolonies zullen de aantallen vliegbewegingen van deze vogels door de lijnopstellingen van Windpark A16 beperkt zijn. Broedvogels van deze kolonies zullen hooguit incidenteel slachtoffer worden van een aanvaring met een windturbine in het plangebied. Dit geldt voor alle alternatieven van Windpark A16 en deze zijn hierin niet onderscheidend.

De kleine mantelmeeuw en in mindere mate de zilvermeeuw vliegen in de broedtijd dagelijks (vooral) door het noordelijke deel van het plangebied. Een relatief hoog aantal slachtoffers treedt op bij de alternatieven waar de windturbines in een cluster zijn geplaatst die bovendien uit veel turbines bestaan. Dit gaat om de alternatieven Knooppunten hoog, Corridor laag, Corridor Honingraat hoog, Corridor Honingraat laag en Twee Poorten Hoog. Voor de kleine mantelmeeuw worden voor deze alternatieven jaarlijks vele tientallen aanvaringsslachtoffers voorspeld, voor de zilvermeeuw een tiental aanvaringsslachtoffers. Voor de alternatieven waar de turbines in een lijnopstelling zijn gepositioneerd of in kleine clusters van maximaal enkele turbines zal het aantal slachtoffers lager liggen omdat vogels dan doorgaans één turbine passeren op hen vliegroute. Voor de talrijk voorkomende kleine mantelmeeuw vallen jaarlijks enkele tientallen aanvaringsslachtoffers, van de zilvermeeuw enkele. Van de visdief worden geen regelmatige vliegbewegingen verwacht door het plangebied. De visdieven van de kolonies van Moerdijk, Sassenplaat en Biesbosch foerageren veelal in die gebieden zelf. Binnen het plangebied komen nauwelijks visdieven voor. Van deze soort vallen geen of hooguit op incidentele basis aanvaringsslachtoffers.

In en nabij het plangebied komen vooral algemene soorten van het open en halfopen agrarisch landschap voor. Voor veel van de algemene soorten en soorten van de Rode Lijst is het aanvaringsrisico over het algemeen verwaarloosbaar klein, omdat ze weinig risicovolle vliegbewegingen door het geplande windpark maken. Lokale broedvogels zijn meestal ook goed bekend met de omgeving en de risico’s ter plaatse. Soorten waarvan jaarlijks enkele aanvaringsslachtoffers voorzien kunnen worden, zijn kievit en scholekster en in Rooskensdonk ook grutto. Deze soorten broeden met vele tientallen broedparen in het plangebied. Tijdens baltsvluchten heeft deze soort een verhoogd risico op een aanvaring met een windturbine. De verschillende soorten roofvogels (buizerd, bruine kiekendief, wespendief, sperwer, havik, slechtvalk, boomvalk) worden relatief weinig gevonden als aanvaringsslachtoffer. Daarnaast zijn de absolute aantallen vogels die het betreft klein, waardoor het aantal vliegbewegingen door het windpark beperkt zal zijn. Van het totaal aantal aanvaringslachtoffers dat voor de windturbines op jaarbasis is berekend zal een zeer beperkt aandeel lokale broedvogels (alle soorten samen) betreffen.

Voor het merendeel van de broedvogelsoorten in en nabij het plangebied gaat het op jaarbasis om incidentele slachtoffers. Broedvogelsoorten waarvoor op jaarbasis meer dan incidenteel een slachtoffer valt, zijn soorten met een grote actieradius en soorten die geregeld in de hogere luchtlagen verkeren, zoals bijvoorbeeld veldleeuweriken, spreeuwen en gierzwaluwen, en soorten die in het donker foerageer- en of baltsvluchten maken, zoals bijvoorbeeld de hiervoor genoemde kievit. Het gaat hierbij per soort om hooguit enkele aanvaringsslachtoffers op jaarbasis. De alternatieven die tot relatief veel aanvaringsslachtoffers leiden (Tabel 59) scoren daarbij negatiever dan de alternatieven die tot minder aanvaringsslachtoffers leiden.

Aanvaringsslachtoffers N2000 niet-broedvogels in gebruiksfase:
De kolgans, grauwe gans en brandgans kunnen geregeld met grote aantallen in het winterhalfjaar in het noordelijk deel van het plangebied en omgeving foerageren. Deze soorten kunnen overnachten in onder andere het Hollandsch Diep en Biesbosch. De brandgans is de talrijkste soort in het plangebied, de grauwe gans en kolgans komen met wat kleinere aantallen voor. Uit het veldonderzoek naar vliegbewegingen is gebleken dat ganzen in grote aantallen door het plangebied kunnen vliegen. Een relatief hoog aantal slachtoffers vallen bij de alternatieven waar de windturbines in een cluster zijn geplaatst die bovendien uit veel turbines bestaan. Dit gaat om de alternatieven 11 Knooppunten hoog, 10 Corridor laag, 9 Corridor Honingraat hoog, 8 Corridor Honingraat laag en 7 Twee Poorten Hoog. Voor brandgans, kolgans en grauwe gans worden voor deze alternatieven jaarlijks enkele aanvaringsslachtoffers voor iedere soort voorspeld. Voor de alternatieven waar de turbines in een lijnopstelling zijn gepositioneerd of in kleine clusters van maximaal enkele turbines zal het aantal slachtoffers naar inschatting lager liggen (een enkel slachtoffer per jaar voor iedere soort).

De smient en wilde eend kunnen geregeld met kleine aantallen vogels in het winterhalfjaar in het noordelijk deel van het plangebied foerageren. Deze soorten kunnen rusten het Hollandsch Diep en Biesbosch. Een relatief hoog aantal slachtoffers vallen bij de alternatieven waar de windturbines in een cluster zijn geplaatst die bovendien uit veel turbines bestaan. Dit gaat om de alternatieven 11 Knooppunten hoog, 10 Corridor laag, 9 Corridor Honingraat hoog, 8 Corridor Honingraat laag en 7 Twee Poorten Hoog. Voor iedere eendensoort vallen bij deze alternatieven jaarlijks enkele aanvaringsslachtoffers. Voor de alternatieven waar de turbines in een lijnopstelling zijn gepositioneerd of in kleine clusters van maximaal enkele turbines zal het aantal slachtoffers naar inschatting lager liggen. Hier ligt het aantal jaarlijkse slachtoffers naar inschatting op een enkel slachtoffer van iedere soort. De krakeend en kuifeend van het Natura 2000-gebied Hollandsch Diep komen met slechts kleine aantallen voor in de kleipolders. Van deze soorten vallen geen of hooguit incidenteel aanvaringsslachtoffers. De alternatieven zijn hier niet onderscheidend in.

Andere soorten niet-broedvogels waar Natura 2000-gebieden in de omgeving voor zijn aangewezen komen niet of hooguit incidenteel in het plangebied voor, van deze soorten worden geen of hooguit incidenteel aanvaringsslachtoffers voorspeld. De alternatieven zijn hier niet onderscheidend in.

Aanvaringsslachtoffers ‘overige niet-broedvogels’ in gebruiksfase:
Andere soorten watervogels die niet aangewezen zijn voor Natura 2000-gebieden komen veelal hooguit met kleine aantallen in het plangebied voor. Van de meeste soorten vallen geen of hooguit incidenteel aanvaringsslachtoffers. Van de wat talrijkere soorten als meeuwen (kokmeeuw, stormmeeuw) en steltlopers (kievit, wulp) kunnen jaarlijks respectievelijk één of enkele tientallen en een tiental aanvaringslachtoffers vallen. De alternatieven die tot relatief veel aanvaringsslachtoffers leiden (Tabel 59) scoren daarbij negatiever dan de alternatieven die tot minder aanvaringsslachtoffers leiden.

Verstoring vogels in de gebruiksfase:
Verstoring van leefgebied van broedvogels, waar Natura 2000-gebieden in de omgeving voor zijn aangewezen, is niet aan de orde. De alternatieven zijn hier niet onderscheidend in.

Hoe meer windturbines in bos worden geplaatst hoe groter het risico op verstoring en/of vernietiging van een jaarrond beschermd nest. Bijna alle alternatieven omvatten enkele turbines waarvoor bos of individuele bomen moeten worden gekapt. Alleen bij de alternatieven 5 Korte Lijnen Alternerend Laag en 10 Corridor Laag is dit niet het geval. Voor het alternatief 9 Corridor Honingraat Laag moeten de meeste bomen worden gekapt.

Het risico op verstoring van broedvogels van de Rode Lijst is voor de alternatieven 8 Corridor Honingraat Laag het hoogst, omdat bij deze alternatief verreweg de meeste windturbines in gebied komen wat waardevol is voor broedvogels van de Rode Lijst. De alternatieven 1 Kralensnoer Hoog en 7 Twee Poorten Hoog hebben zeer weinig risico op het verstoren van broedvogels van de Rode Lijst; bij deze alternatieven staan de turbines veelal buiten waardevol gebied voor Rode Lijst soorten.

Verstoring van leefgebied van niet-broedvogels, waar Natura 2000-gebieden in de omgeving voor zijn aangewezen, is niet uit te sluiten. Echter zijn er de effecten op het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen van de Natura 2000-gebieden uitgesloten.

Andere soorten watervogels die niet aangewezen zijn voor Natura 2000-gebieden komen veelal hooguit met kleine aantallen in het plangebied voor. Voor deze soorten is daarom geen sprake van een zeer grote verstoring van het leefgebied. De turbinelocaties verschillen niet wezenlijk in aantrekkelijkheid voor deze watervogels; en is daarom vanuit gegaan dat weinig verschil aanwezig is tussen de aantallen van de overige watervogels in en nabij de verschillende turbinelocaties. De alternatieven met veel turbines scoren hierbij negatiever dan de turbines met een beperkt aantal turbines.

Barrièrewerking vogels in de gebruiksfase:
Het plangebied ligt niet binnen belangrijke vliegroute van broedvogels tussen foerageer- en broedgebieden. De vliegroutes van broedende meeuwen in Moerdijk en Sassenplaat en watervogels door het plangebied lopen voornamelijk in het noordelijk deel van het plangebied. Geen van de alternatieven heeft lange lijnopstellingen die dwars op deze vliegroutes liggen en kunnen geenszins een barrière vormen voor deze meeuwen en watervogels. De lijnopstellingen zijn tamelijk kort van aard en bovendien is de minimale afstand tussen de turbines 400 meter. Zeker een deel van de vogels kan met een dergelijke afstand eenvoudig tussen de turbines door vliegen. Effecten als gevolg van barrièrewerking zijn niet aanwezig. De alternatieven zijn hier niet onderscheidend in.

Effecten op vleermuizen in aanlegfase:
De alternatieven van Windpark A16 verschillen in het aantal turbinelocaties ter plaatse van bomen en daarmee in de kans dat zulke effecten zich zullen voordoen. Hoe meer bomen gekapt worden ten behoeve van de aanleg van windturbines, hoe groter het risico op verstoring en/of vernietiging van verblijfplaatsen van vleermuizen. Bijna alle alternatieven omvatten enkele turbines die op locaties met bomen liggen. Alleen bij de alternatieven 5 Korte Lijnen Alternerend Laag en 10 Corridor Laag is dit niet het geval. Binnen de alternatieven 1 Kralensnoer Hoog, 2 Kralensnoer Driehoekjes en 8 Corridor Honingraat Laag liggen de meeste turbinelocaties met bomen.

Effecten op vleermuizen in gebruiksfase:
In het plangebied zijn vier vleermuissoorten regelmatig waargenomen: gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger en rosse vleermuis. Bij deze soorten kan sterfte optreden in een toekomstig windpark door aanvaringen met de rotorbladen. De tweekleurige vleermuis geldt ook als een ‘risicosoort’ ten aanzien van windenergie. Deze soort is echter (zeer) zeldzaam in het plangebied zodat meer dan incidentele sterfte niet optreedt. De activiteit van soorten zoals baardvleermuis, watervleermuis en gewone grootoorvleermuis is vermoedelijk onderschat. Enerzijds omdat deze soorten relatief zachte geluiden produceren die minder ver reiken. Anderzijds omdat dit lichtschuwe soorten zijn die mogelijk minder talrijk zijn rond straatverlichting dan in het onverlichte achterland (het onderzochte transect loopt deels langs straatverlichting). Aanvaringsslachtoffers komen bij deze soorten echter nagenoeg niet voor waardoor een onderschatting van de activiteit van deze soorten niet relevant is voor een inschatting van de kans op aanvaringsslachtoffers.

Op grond van literatuurgegevens, kennis over het landschapsgebruik van vleermuizen in het algemeen en de vastgestelde verspreidingspatronen in het plangebied, zijn de turbinelocaties in drie verschillende categorieën ingedeeld, op basis van het verwachte aantal aanvaringsslachtoffers.

1. Locaties met een hoog aantal slachtoffers
In een deel van het plangebied is sprake van een verhoogde kans op slachtoffers. Het gaat hier om het gehele deel van het plangebied ten zuiden van de Graaf Engelbertlaan. In dit deel van het plangebied komen relatief veel bossen voor. Van windturbines in bossen is bekend dat hier sprake is van een verhoogd risico op aanvaringsslachtoffers (Brinkmann et al. 2011). Daarnaast geeft het vleermuisonderzoek aan dat op deze locaties daadwerkelijk sprake is van een verhoogde activiteit van vleermuizen. Er wordt hier, op basis van resultaten van slachtofferonderzoeken bij windparken in vergelijkbare landschappen, uitgegaan van 10 slachtoffers per turbine per jaar.

2. Locaties met een middelhoog aantal slachtoffers
In deze categorie is het middendeel van het plangebied opgenomen (vanaf Graaf Engelbertlaan in Breda tot aan N285). Het middendeel omvat geen (grootschalig) bos, maar omvat wel veel bomenlanen, brede watergangen en moerasjes. Daarnaast geeft het vleermuisonderzoek aan dat op deze locaties daadwerkelijk sprake is van een verhoogde activiteit van vleermuizen, maar minder dan de zuidelijke zone. Voor windturbines in deze zone wordt, op basis van resultaten van slachtofferonderzoeken bij windparken in vergelijkbare landschappen, uitgegaan van 5 slachtoffers per turbine per jaar.

3. Locaties met een laag aantal slachtoffers
Ten noorden van de N285 ligt een relatief open, overwegend agrarisch gebied. Hier zijn weinig vleermuizen waargenomen. De Wieringermeer en Flevoland is landschappelijk vergelijkbaar met dit deel van het plangebied van Windpark A16. Slachtofferonderzoek leverde hier en op andere vergelijkbare locaties 1 slachtoffer per turbine per jaar op (Limpens et al. 2013). Daarnaast geeft het vleermuisonderzoek aan dat op deze locaties daadwerkelijk sprake is van een relatief lage activiteit van vleermuizen. Voor deze zone gaan wordt daarom uitgegaan van 1 slachtoffer per turbine per jaar.

Op basis van deze categorieën is per alternatief van Windpark A16 een schatting gemaakt van het totaal aantal jaarlijkse vleermuisslachtoffers (onderstaande tabel). Alternatief 5 Korte Lijnen Alternerend Laag leidt tot het hoogst aantal vleermuisslachtoffers; alternatief 9 Corridor Honingraat Hoog tot het laagste aantal.

Tabel - Aanvaringsslachtoffers vleermuizen
Aanvaringsslachtoffers vleermuizen

De brede watergangen in het noordelijk deel van het plangebied vormen voor de meervleermuis onderdeel van een vliegroute van en naar verblijfplaatsen. Het aanvaringsrisico van de meervleermuis is zeer klein. De meervleermuis wordt zelden als aanvaringsslachtoffer aangetroffen, waarschijnlijk als gevolg van de lage vlieghoogte van de soort. Bovendien komen de windturbines niet middenin de vliegroute te staan. Effecten op de meervleermuis als gevolg van de aanleg en het gebruik van Windpark A16 zijn niet aanwezig. De alternatieven van Windpark A16 zijn hier niet onderscheidend in.

Omdat geen directe relatie bestaat tussen de vleermuizen in Vlaamse Natura 2000-gebieden en het plangebied, zijn geen effecten als gevolg van de aanleg en het gebruik van Windpark A16 aanwezig. De alternatieven van Windpark A16 zijn hier niet onderscheidend in.

De globale inschatting is dat bij alle alternatieven bij één of meerdere soorten sprake zal zijn van een overschrijding van de 1%-mortaliteitsnorm waarmee effecten op de 'gunstige staat van instandhouding' niet op voorhand zijn uit te sluiten. Of effecten zich werkelijk voordoen staat daarmee niet vast maar het is verstandig om hier alvast rekening mee te houden. Het aantal slachtoffers valt bij alle soorten goed te reduceren door middel van mitigerende maatregelen waarmee effecten op de GSI voor alle alternatieven kunnen worden vermeden.

Effecten op flora en grondgebonden zoogdieren
In het plangebied komen een aantal plantensoorten voor die beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming of een Rode Lijst status hebben. Binnen het plangebied komen relatief meer beschermde en/of Rode Lijst soorten voor in de natuurgebieden Rooskensdonk, Weimeren, Trippelenberg en Galdersche Heide. De alternatieven Windpark A16 kunnen ten koste van gaan groeiplaatsen van flora. Deze effecten zijn echter eenvoudig te mitigeren door bijvoorbeeld het verplaatsen van beschermde planten.

In het plangebied komen een aantal soorten grondgebonden zoogdieren voor die beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming of een Rode Lijst status hebben (bunzing, gewone eekhoorn, hermelijn, steenmarter, wezel). De precieze verspreiding van deze soorten is niet bekend. Wel kan op basis van landschapstype het halfopen landschap ten zuiden van Breda als geschikter voor deze soorten worden beschouwd. Mogelijk dient voor de beschermde soorten ontheffing van verbodsbepalingen (artikel 3.10 lid 1b) van de Wet natuurbescherming aangevraagd te worden. Ook kan overtreding van verbodsbepalingen mogelijk voorkomen worden door het nemen van passende mitigerende maatregelen.

Effecten op vissen, ongewervelden, amfibieën en reptielen
In het plangebied komen een aantal soorten vissen voor die beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming of een Rode Lijst status hebben. Vrijwel alle windturbines worden geplaatst op land en gaan niet ten koste van watergangen of andere oppervlaktewateren. Eén turbine is gepland in de Galderse Meren (alternatief 11 Knooppunten Hoog). Hier zijn in zoverre bekend geen beschermde vissoorten aanwezig. Bovendien is het ruimtebeslag van één turbine nihil. Zoverre de turbines ten koste gaan van leefgebied van deze soorten, gaat dit om een verwaarloosbare oppervlakte van het totaal aan leefgebied van deze soorten. De kans op effecten op vissen wordt voor alle alternatieven van Windpark A16 als nihil beschouwd. Voor de beschermde soorten is geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming.

In het plangebied komen een aantal soorten dagvlinders en libellen voor die beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming of een Rode Lijst status hebben. Zoverre de turbines ten koste gaan van leefgebied van deze soorten, gaat dit om een verwaarloosbare oppervlakte van het totaal aan leefgebied van deze soorten. De kans op effecten op ongewervelden wordt voor alle alternatieven van Windpark A16 als nihil beschouwd. Voor de beschermde soorten is geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming.

In en nabij de planlocaties komen geen amfibieën en reptielen voor die beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming of een Rode Lijst status hebben. De kans op effecten op amfibieën en reptielen wordt voor alle alternatieven van Windpark A16 als nihil beschouwd. Voor de beschermde soorten is geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming.

Effect op Natuurnetwerk Brabant (NNB)
De score is gebaseerd op de alternatieven Windpark A16 ten aanzien van Natuurnetwerk Brabant (NNB) in aanleg- en gebruiksfase. Alle alternatieven leiden tot negatieve effecten op het NNB; de mate van ruimtebeslag- en overdraai binnen het NNB is als differentiatie gebruikt tussen de scores licht negatief en negatief. De mate van ruimtebeslag- en overdraai binnen het NNB is het laagst bij alternatieven 1 Kralensnoer Hoog, 4 Korte Lijnen Hoog, 5 Korte Lijnen Alternerend Laag, 7 Twee Poorten Hoog en 11 Knooppunten Hoog. De hoogste mate is bij alternatief 8 Corridor Honingraat Laag. De resterende alternatieven zitten hier, met hun gemiddelde, tussenin.

Effect op natte natuurparels, agrarisch natuurbeheer en groenblauwe mantel
De meeste alternatieven van Windpark A16 leiden tot ruimtebeslag binnen natte natuurparels en attentiegebieden. De verschillen tussen de alternatieven zijn echter groot. Van het alternatief 7 Twee Poorten Hoog is geen sprake van ruimtebeslag; het ruimtebeslag van 8 Corridor Honingraat Laag is veruit het grootst met bijna 10.000 m2.

Alle alternatieven van Windpark A16 leiden tot ruimtebeslag binnen de zoekgebieden voor agrarisch natuurbeheer. Van het alternatief 7 Twee Poorten Hoog is het ruimtebeslag het beperktst; het ruimtebeslag van 4 Kralensnoer Hoog en 10 Corridor Laag is het grootst met bijna 7.000 m2.

Alle alternatieven van Windpark A16 leiden tot ruimtebeslag binnen de groenblauwe mantel. Van het alternatief 6 Lange lijnen hoog is het ruimtebeslag het beperktst; het ruimtebeslag van 2 Kralensnoer driehoekjes is het grootst met ruim 3.500 m2.

Alle alternatieven leiden tot negatieve effecten op deze gebieden; de verschillen zijn te beperkt om tot differentiatie in scores tussen de alternatieven te leiden.

Aantal hectare compensatie NNB als gevolg van indirecte verstoring windturbines
De indirecte aantasting van bestaand natuurgebied door de geluidsbelasting van windturbines is berekend per MER-alternatief. Daarbij is de te compenseren oppervlakte van NNB-gebieden als beoordelingscriterium genomen. Deze compensatieopgave is gelijk aan een derde van het areaal waar als gevolg van de windturbines een overschrijding van de normen optreedt. De compensatieopgave varieert van 3 t/m 23 hectare en is daarmee relatief gering. Dit komt mede door het hoge, reeds aanwezige geluid van wegen en spoorwegen. Zie
Bijlage H voor een uitgebreide beschrijving van deze rekenregel met betrekking tot natuurcompensatie NNB.

Figuur - Compensatie van NNB-gebied als gevolg van verstoring door te hoge geluidsniveaus als gevolg van windturbines
Compensatie van NNB-gebied als gevolg van verstoring door te hoge geluidsniveaus als gevolg van windturbines.

Door de compensatieplicht heeft het aspect Compensatie van NNB-gebied als gevolg van verstoring door te hoge geluidsniveaus als gevolg van windturbines  geen onderscheidend karakter en scoren alle alternatieven neutraal op dit thema (‘0’). Eventuele benodigde compensatie blijft wel inzichtelijk (in ha.).

Score milieuthema ecologie

Onderstaande tabel toont de samengevatte effectbeoordeling.

Tabel - Conclusie ecologie
Conclusie ecologie

 

[1]     Rekenregels EHS compensatie versie 2, Taakveld Natuur, februari 2014.

 

Ligging van Natuurnetwerk Nederland/Brabant en Natura 2000-gebieden:
NNN/B = donkergroen; N2000 = lichtgroen